1. No limits

Op het moment dat je op kamers gaat wonen heb je alle vrijheid. Je kunt doen en laten wat je wilt, zonder dat je moeder tientallen waarschuwingen afgeeft. Pas op jezelf, drink niet te veel, wees op tijd weer thuis, enzovoort. Dingen waar je alleen maar “Ja, mam”, op kunt antwoorden. Nu kun je stomdronken je kamer binnen lopen hoe laat je wilt en met wie je wilt. ’s Ochtends is er niemand die je vroeg wakker maakt en vraagt waarom het nu alweer zo laat is geworden.

Je kunt je eigen tijd indelen. Dat is fantastisch! Maar er zijn valkuilen. Zo kun je kiezen om dagelijks het nachtleven in te duiken. De consequentie is dat je langer vast zit aan je studie en alsnog je ouders op je dak krijgt.

2. Je eigen wasjes draaien

Uiteraard heb je voordat je er daadwerkelijk alleen voor stond zelf thuis je wasje proberen te draaien. Waarschijnlijk heeft je moeder uitgelegd hoe de wasmachine werkt en restte het jou de taak om op het startknopje te drukken. Eenmaal aangekomen in je nieuwe kamer, kom je erachter dat de wasmachine er totaal anders uitziet (enigszins afgetakeld) en anders werkt. Welk waspoeder moest er ook alweer in? Op hoeveel graden? Kloppen de instellingen zo? Verstand op nul en draaien maar! Twee uur later kom je terug en staat de hele keuken blank. Je huisgenoot vraagt je: “Hoorde je geen ‘klik’ toen je het deurtje dichtdeed?”

3. Het huishouden

Je zit eindelijk een week in je eigen kamertje en het bevalt je prima. Lekker je eigen ding doen zonder al te veel commentaar. Hm, hier en daar wordt het toch een beetje stoffig. De vloer ligt vol kruimels. En nog maar te zwijgen over het uiterlijk van de bank. En hé, dat plantje dat je bij Ikea hebt gekocht is dood!

Ondanks het drukke studentenleven zul je ook tijd moeten maken voor het huishouden. Verzamel moed om je beddengoed eens te verschonen. Ik denk niet dat je zin hebt in onverwachte verstekelingen (lees: ongedierte) tijdens het slapen. Haal desnoods een keer de stofzuiger door je kamer en zet de ramen open. Dit zal je een schoon en fris gevoel geven.

Studentenkamer studeren

4. Zelf eten koken

De wijzers van de klok gaan langzaam richting etenstijd. Je hebt je boodschappen al gehaald en weet ongeveer wat je wilt gaan koken. “Uh, geen zin”, denk je bij jezelf. Maar je moet toch iets eten. Je loopt naar de keuken: het aanrecht staat vol met vuile vaat, op het fornuis staan pannen met eten van gisteren – maar dan een week geleden – en het putje van de afvoer moet worden geleegd voordat je het kunt gebruiken. Daar sta je dan met je schone spulletjes van mama en papa. Wederom verstand op nul!

Je schuift alles aan de kant, maakt met andermans vork het putje schoon en legt de snijplank neer op de gecreëerde ruimte. Als je alles gesneden hebt, steek je het vuur aan: het echte werk begint. Pasta in een pan met kokend water op acht minuten en de groenten in een wok beetgaar bakken, waarna je saus uit een potje toevoegt. Klinkt makkelijk, maar het is een flinke klus. Wanneer zijn de groenten beetgaar? Ze worden nu al zwart. Oh, de pasta moet worden afgegoten, maar er moet ook nog geroerd worden. Ai, de saus moet erbij! Kortom, de eerste maaltijd zal niet de beste zijn, maar wel een leerzame!

5. Huurbaas

Je hebt dan wel niet meer te maken met je ouders, maar bij het wonen op kamers doet zich een nieuw iemand voor die je in de gaten houdt: jouw huurbaas. Je moet stil zijn voor de buren en je mag die schattige straatkat echt niet mee je kamer in nemen. Daarnaast moet je de zoveelste verstopte gootsteen zelf ontstoppen. Natuurlijk heb je alle vrijheid, maar denk aan de huisregels, want voor je het weet sta je (weer) op straat. Je zou verwachten dat je huisbaas andersom ook zijn best doet voor het huis, maar dat valt over het algemeen vies tegen. Dat gebroken ruitje in de keuken wacht nog wel een tijdje op vervanging.