Dat blijkt uit een onderzoek van twee studenten psychologie (aan Princeton en UCLA). Zij vroegen studenten een lezing bij te wonen en aantekeningen te maken op de voor hen gebruikelijke manier. Ze konden gebruikmaken van zowel notitieboekjes als laptops. Een half uur na de lezing moesten de testpersonen een test afleggen, waarbij de feitenkennis en de toepassing van de kennis werd getoetst. Beide groepen scoorden even hoog op feitenkennis, maar de digitale groep scoorde veel lager op kunde.

Tussendoor tijd om te studeren

De studenten met laptop maakten erg veel aantekeningen. Ook waren ze geneigd de lezing woordelijk over te nemen. Om te testen of de grote hoeveelheid aantekeningen juist niet handig is als je een poos later de stof moet gaan leren, hielden de onderzoekers nog een experiment. Dat had dezelfde opzet als het eerste onderzoek, alleen wisten de testpersonen nu dat ze over een week een test moesten doen en dat ze tussen door tijd zouden hebben om te studeren.

Aantekeningen opschrijven is beter

Wat bleek: de studenten die aantekeningen maakten met pen en papier en naderhand konden studeren, deden het veel beter dan alle andere studenten in het experiment. Op beide onderdelen scoorden ze veel hoger dat de studenten die in feite de lezing hadden getranscribeerd.

Andere manier van aantekeningen maken

Opvallend: tijdens de lezing werd aan de studenten met laptop gevraagd om niet de lezing te transcriberen. Toch bleven zij woord voor woord overnemen wat er werd verteld. Kennelijk is het moeilijk om al typend dezelfde soort aantekeningen te maken als wanneer je schrijft. Je gebruikt dan eigen tekens (sterretjes, pijltjes) en opsommingen en je parafraseert de informatie. Dat leidt kennelijk tot diepere verwerking, het ‘plant’ de nieuwe kennis steviger in je geheugen.

Bron: The Huffington Post