Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw werd privatisering beschouwd als het toverwoord om de kwaliteit in bepaalde sectoren te verhogen. Zo is het idee dat ondernemingen beter in staat waren de wensen van burgers in te schatten. Private ondernemingen zouden ten gunste van de burger met elkaar concurreren en zo gedwongen worden de kwaliteit te verhogen en de kosten voor de burger zo laag mogelijk te houden. Het is echter vrij logisch dat met zulke hoge marktdrempels als op het Nederlandse spoor een monopolie ontstaat. Zo is de NS vooralsnog de zittende monopolist die de infrastructuur in een volledige greep heeft. En zo staat de NS op de zesde plaats van duurste treinvervoerders ter wereld.

‘Foutje, bedankt!’
Om toch enige vat te krijgen op het gedrag van de NS, maakt de Rijksoverheid een vervoersconcessie met de NS, waarin vaststaat aan welke eisen ze moeten voldoen. Al komt de NS daar, zeker in het verleden, vaak vanaf door een beroep te doen op haar zelfstandigheid of concurrentiegevoelige informatie. Daarnaast is er ook nog de vereniging van OV-reizigers, ROVER, die met een zekere regelmaat de NS aan de tand voelt, over het gebrek aan kwaliteit en tekortkomingen. Echter heeft ROVER geen enkele bindende bevoegdheden, waardoor de NS er wederom vanaf komt met ‘foutje, bedankt!’

De monopoliepositie van de NS
Dankzij haar monopoliepositie krijgt de NS meer vrijheid dan ze aankan en maakt daar naar mijn idee ongekend misbruik van. Het feit dat dat de NS vraagt om lesroosters aan te passen omdat ze zelf de zaken niet op orde heeft is een goed voorbeeld van de NS en haar grootheidswaanzin. Tot de mentaliteit verandert van de NS en het Rijk de contractuele afspraken niet afdwingt, zullen we zeker nog vaker last krijgen van zulke bizarre redenaties, structurele vertragingen, belachelijke investeringen (Fyra), corrupte topmannen (die ook nog eens met een riante ontslagvergoedingen vertrekken) en andere ongein.