Tijdens je introductietijd rol je zomaar een kroeg binnen. Het blijkt een van de grootste studentenverenigingen van de stad te zijn en als nieuwkomer gaat er een wereld voor je open. Het is prachtig en je besluit lid te worden. Er staat je een tijd te wachten waarin je feest tot je erbij neervalt, goede vrienden maakt en ervaring opdoet waar je de rest van je leven profijt van hebt. Bij zo’n fantastische studententijd hoort natuurlijk ook een tof studentenhuis. Een verenigingshuis welteverstaan, met een eigen huiscultuur en huishiërarchie.

 

Drank, testen en opdrachten om binnen te komen

Dat gold ook voor Erik toen hij naar Groningen verhuisde. Naast lid zijn van een vereniging wilde hij in een verenigingshuis wonen. In zo’n huis kom je echter niet zomaar binnen.

“Om überhaupt bij de hospiteerborrel langs te mogen komen moest ik drank meenemen. Anders zou ik bij de deur meteen geweigerd worden”, aldus Erik. “Eenmaal binnen heerste er een grimmige sfeer. Het was er donker, er stond harde muziek aan en de jongens van het huis droegen allemaal jasje dasje. Ik moest met mijn knieën op een krat zitten om mezelf voor te stellen. Vervolgens werd ik getest. Wie ik wel niet dacht dat ik was dat ik zomaar even in hun GK ging zitten en wat ik wel niet kwam doen. Ondertussen doordrenkten ze hun dassen met bier en sloegen deze in mijn gezicht.” 

Wie denkt het ergste gehad te hebben na de hospiteerborrel, heeft het mis. Na deze avond begint het pas. “De eerste week was erg zwaar. Ik kende nog niemand, ik moest echt op zoek naar mijn plekje in het huis.”

Ook werd Erik flink op de proef gesteld door zijn oudere huisgenoten. “De eerste week heb ik nauwelijks geslapen. Om het uur kwam een van de huisgenoten mijn kamer binnen gerend om me wakker te maken en opdrachten te geven. Die moest ik dan ook meteen uitvoeren. Zo heb ik bijvoorbeeld een rondje om de singel gelopen en drie lange minuten onder een ijskoude douche gestaan.”

Met de tijd werden de nachtelijke ‘bezoekjes’ minder. “In de tweede week kwamen ze ‘nog maar’ drie nachten per week langs, tot ik na een maand verlost was van de nachtelijke opdrachten.”

Toiletten schrobben en ontbijtjes verzorgen

Vanaf het eerste moment dat Erik in het huis kwam wonen, kreeg hij een takenpakket met dagelijkse klusjes. “Als HJ moest ik het toilet en de douche schoonmaken, de GK opruimen en het vuilnis wegbrengen. Ook moest ik, wanneer een huisgenoot brak of lui was, boodschappen doen en ontbijtjes brengen.”

Naast deze dagelijkse taken kreeg Erik opdrachten opgelegd door de huisoudste. “Al deze opdrachten moest ik opschrijven in mijn HJ-schrift, zodat ik ze niet zou vergeten of verkeerd zou uitvoeren. Vervolgens konden alle oudere huisgenoten mij aanspreken om iets voor hen te doen. In eerste instantie was dit alleen de HO, later iedereen.” 

Hoewel Erik als huisjongste door het leven ging, werd hij geen HJ genoemd. Toen zijn huisgenoten hem wat beter kenden kreeg hij een echte bijnaam. Net als ieder ander in het huis. “In het huis kreeg ik een typisch Joodse naam toegedeeld, omdat ik een vrij grote neus heb.” Toch heeft Erik zijn bijnaam en zijn rol als huisjongste nooit als vervelend ervaren.

“Ik wist wat me te wachten stond toen ik in dit huis kwam hospiteren. Het hoort erbij én het maakt de tijd in het huis absoluut waardevoller. Ik heb er iets voor over gehad om in dat prachtige huis te wonen en nu ik daar niet meer woon, hebben de bewoners nog steeds respect voor mij en andere oud-huisgenoten.”

En hoe ging dat dan met die HJ na hem? “Ik ben fervent aanhanger van het gezegde ‘oog om oog, tand om tand’. De HJ na mij heeft het dus nét zo zwaar, zo niet zwaarder gehad.”

Erik is een gefingeerde naam in verband met privacy.