1. Je leert op basis van je huidige kennis

Tijdens het leren baseer je voort op je huidige kennis. Je hersencellen groeien als je leert, en raken met elkaar verbonden. Hoe groter je hersencellen, hoe meer met elkaar verbonden kunnen raken en hoe meer informatie je kunt opslaan in je hersenen. Je hersencellen bestaan uit delen die alleen kunnen groeien vanuit bestaande delen.

Dat betekent dat het goed werkt als je nieuwe informatie kunt verbinden aan ‘oude’ kennis. Daarom is het belangrijk om eerst de basis goed te begrijpen, zodat je dieper op de stof in kunt gaan.

 

2. Oefenen is essentieel

Als je snellere en betere connecties in je brein wilt, is oefenen essentieel. Als je genoeg oefent, vormen je hersencellen dubbele verbindingen. En dat is uiteraard beter als je de informatie wilt gebruiken (op je tentamen). Hoe meer je oefent, hoe groter de kans dat de informatie (of de vaardigheid) permanent in je hersenen terechtkomt.

 

3. Leer praktische dingen in de praktijk

Je hersencellen groeien op basis van wat je leert. Als iemand jou uitlegt hoe een berekening werkt, leer je hem nog niet. Je leert het pas echt goed als je het zelf ook toepast.

 

4. Je werkgeheugen is niet oneindig

Je werkgeheugen is het gedeelte van je brein waarmee je informatie voor korte periodes opslaat. Ga je naar de supermarkt voor een paar boodschappen, dan onthoud je wélke boodschappen met je werkgeheugen. Je werkgeheugen is beperkt – je wil dus dat belangrijke informatie in je langetermijngeheugen terechtkomt.

 

5. Slaap heeft effect op je geheugen

Heb je last van slaapproblemen? Dan is het lastiger om nieuwe informatie te verwerken en onthouden. Sterker nog: het is extreem belangrijk om een goede nacht te slapen binnen dertig uur nadat je nieuwe kennis hebt opgedaan. Toch maar eens proberen dan.

 

Bron: USA Today