1. De bibliothecaresse van de UB kent je bij naam

De UB is je tweede huis.

2. Je praat in vakjargon

De woorden uit je scriptie zitten zo in je hoofd gestampt, dat je ook in je vrije tijd tegen huisgenoten en vrienden woorden gebruikt die alleen in jouw vakgebied voorkomen.

3. Je hebt je master voor soggen al op zak

Dacht je altijd al dat je snel afgeleid bent, nu weet je het zeker. Als je met soggen studiepunten kon verdienen, was je allang klaar geweest.

4. Je bent he-le-maal klaar met studeren

Je had nooit gedacht dit te zeggen, maar eigenlijk heb je best veel zin om je in het werkende leven te gooien. Afstuderen is helemaal niet leuk.

5. Iedereen vraagt je naar je studie

Waar je ook komt; het verjaardagspartijtje van je oma, een feest bij vrienden of een eigen huisavond: iedereen vraagt de godganse tijd hoe het gaat met afstuderen. Je kunt die vraag niet meer horen!

6. Je leeft in je joggingbroek

Eindelijk kun je je eigen tijd écht indelen, en daar maak je dan ook gretig gebruik van. Hoezo uitslapen? Jij bent nou eenmaal een avondmens.

7. Je hebt minstens één keer per week een zenuwinzinking


Je kunt er niets van, je scriptie slaat nergens op, je vindt nooit een baan en boehoehoe.

8. Je bent oud wanneer je de stad in gaat

Eigenlijk kun je niet mee stappen, want je moet morgen op tijd in de UB zijn. Maar oké, omdat het nu nog kan… En dan de deceptie als je eindelijk in je favoriete kroeg bent: je voelt je oud. Langzaam maak je plaats voor de volgende lichting studenten en dat voelt NIET goed.